SS’ers uit het concentratiekamp Flossenbürg, september 1938

Het be­heer en de be­wa­king van de con­cen­tratie­kam­pen is een hoofd­taak van de SS (Schutzstaffel). Hier­voor wor­den le­den van de SS-Totenkopfverbände in­ge­zet. De SS ziet zich­zelf als een ideo­lo­gische or­de en ra­ci­ale e­lite.

De Reichsführer-SS Heinrich Himmler ont­wik­kelt de SS tot een com­plexe or­ga­ni­sa­tie. Haar ta­ken rei­ken van ne­der­zet­ting­en­po­li­tiek tot het ’be­strij­den van te­gen­stan­ders’ en het sys­te­ma­tisch ver­moor­den van zo­ge­naamde ’min­der­waar­dige ras­sen’. Bo­ven­dien be­schikt de SS over ei­gen be­drij­ven.

De SS-Totenkopfverbände in een con­cen­tra­tie­kamp on­der­schei­den zich in een Kommandanturstab en Wachsturmbann. Aan het hoofd van het kamp staat de com­man­dant. Hij be­slist met de aan hem on­der­ge­schikte af­del­ing­en over het lot van de ge­vang­enen.


De SS-man­schap­pen zijn ver­ant­woor­delijk voor de be­wa­king van de ge­vang­enen.

In de staf van het con­cen­tratie­kamp Flossenbürg wer­ken on­ge­veer 90 SS’ers. De man­schap­pen be­rei­ken tot het voor­jaar van 1940 een sterk­te van 300 man. De­ze groei­en met de uit­brei­ding van de bui­ten­kam­pen tot on­ge­veer 2.500 man­nen en 500 vrou­wen in 1945. Na het be­gin van de oor­log wor­den ve­le jong­ere SS-man­nen ver­plaatst naar het front. In de con­cen­tratie­kam­pen zet de SS-lei­ding van­af dat mo­ment ou­de­re man­nen, Luftwaffesoldaten, on­der­da­nen van an­de­re na­ties en vrou­wen in.

Na de oor­log wor­den de meeste SS’ers uit het con­cen­tratie­kamp Flossenbürg slechts mi­ni­maal ge­straft voor hun mis­da­den.