Eetappel in de steengroeve, SS-foto 1942
(NIOD Amsterdam)

Het con­cen­tratie­kamp is voor de ge­vang­enen een per­ma­nent le­vens­be­drei­gend oord. Het da­ge­lijks le­ven is on­men­selijk. De ge­vang­enen wor­den ver­nederd en on­der­drukt. Ze moe­ten wer­ken tot ze uit­ge­put zijn, ve­len wer­ken zich dood. De SS in­tro­du­ceert een tucht die ge­ba­seerd is op ter­reur en ge­weld. Ze pro­beren de po­litieke, na­tio­nale, so­ciale en cul­tu­rele te­gen­stel­lingen tus­sen de ge­vang­enen uit te bui­ten.

On­ge­veer 84.000 man­nen en 16.000 vrou­wen uit meer dan 30 lan­den heb­ben tus­sen 1938 en 1945 in het con­cen­tratie­kamp Flossenbürg en zijn bui­ten­kam­pen ge­vang­enen ge­ze­ten.


Iedere ge­vang­ene draagt ge­vange­nis­kle­ding, voor­zien van een num­mer en een ge­kleur­de drie­hoek.

De leef­om­stan­dig­he­den van de ge­vang­enen ver­slecht­eren in de loop van de oor­log dra­ma­tisch. Het aan­tal on­ge­val­len, zie­ken en do­den stijgt voort­du­rend. In toe­ne­men­de ma­te be­paalt de ar­beids­ge­schikt­heid de over­levings­kansen van de ge­vang­enen. Gro­te ge­vang­enen­trans­porten be­reik­en Flossenbürg van­af het ein­de van 1938. Het hoofd­kamp is over­vol. Vele ge­vang­enen wor­den naar de bui­ten­kam­pen ge­depor­teerd. Bij de mees­te ge­vang­enen over­heerst de vraag “hoe over­leef ik de vol­gende dag?”.